We weten het nog niet precies, maar één ding staat vast: de boot gaat volgend jaar terug naar Europa. De boot verkopen in het Caraïbisch gebied is nog wel een optie, maar dat voelt voor ons te vroeg – en eerlijk gezegd ook niet als de makkelijkste route. Dus: terug. En daarmee dienen zich twee vragen aan: hoe, en waarheen?



De hoe-vraag is vrij concreet. Zelf varen (eventueel in ARC-verband), of de boot laten overbrengen – met een schipper of op een transportschip. De waarheen-vraag is minstens zo interessant: wordt het Noord-Europa/Nederland, of toch Sardinië? Zelf terugvaren is een serieuze optie. Het oceaanzeilen is ons goed bevallen. Tegelijkertijd willen we niet opnieuw zeven maanden weg zijn. In Nederland wacht ook het nodige en het belangrijkste: familie, kinderen en vrienden. Sommige dingen wil je gewoon niet op afstand doen.
Daarmee komt al snel een tussenoplossing in beeld: de terugtocht in etappes. Bijvoorbeeld via Sint Maarten (mei 2027), Bermuda en de Azoren (juni 2027), om uiteindelijk in Portugal of Falmouth uit te komen. Vertrek in mei/juni, wanneer de omstandigheden zich daar goed voor lenen. Eventueel zou de boot nog een seizoen op de Azoren kunnen blijven liggen, zodat de laatste etappe pas in 2028 volgt. De grote vraag is dan: kunnen we in die periode zes weken vrijmaken? Dat wordt vooral een kwestie van plannen.
Het alternatief – transport of een betaalde crew – is snel doorgerekend en daarmee eigenlijk ook weer afgevallen. Met bedragen van circa €10.000 tot €27.000 is het een kostbare oplossing, zeker omdat we het varen zelf juist zo waarderen. Toch is dat laatste niet voor iedereen vanzelfsprekend. We hebben onderweg meerdere boten ontmoet – Nederlands, Brits en Frans – die uiteindelijk besloten hun schip te laten overvaren of transporteren. Niet uit luxe, maar omdat de praktijk tegenviel. Daar zitten een paar duidelijke lessen in.
Allereerst: een tweepersoonsbemanning is kwetsbaar. Zeker als zeeziekte een rol speelt. Zoals iemand het treffend zei: met z’n tweeën vaar je tijdens wacht eigenlijk solo. Dat moet maar net goed gaan – en dat geldt des te meer met jonge kinderen aan boord. Dan zeeziekte zelf. We hebben meerdere crews gesproken waar dit een structureel probleem was. Ook bij grotere bemanningen. Twintig dagen op zee wordt dan niet alleen zwaar, maar ook ronduit onaangenaam – en in sommige gevallen zelfs onveilig.
En dan zijn er nog de pubers. Hoe leuk het idee ook is van een gezinsavontuur, in de praktijk blijkt het vaak vooral het avontuur van de ouders. Aanspraak en afwisseling zijn beperkt, en verveling ligt op de loer. Eerlijk gezegd herkennen we daar zelf ook iets van. Onze conclusie is daarom vrij helder. Voor langere oversteken – zeg alles boven de 36 tot 48 uur – varen we liever niet met z’n tweeën. Met een goede bemanning wordt het niet alleen veiliger, maar ook leuker. Korte trajecten van een paar weken tot maximaal zes weken voelen daarbij het meest passend.
Wat betreft bemanning kiezen we bij voorkeur voor mensen die we kennen: volwassen kinderen en vrienden met wie we al gevaren hebben. Bemanning via een pool of bemiddelingssite kan prima werken – dat horen we ook – maar blijft toch een sprong in het diepe. Soms weet je pas op de loopplank wie je echt aan boord haalt. Wordt dus vervolgd. Het plan voor 2027 ligt nog niet vast, maar de contouren worden langzaam zichtbaar.