Het plan voor 2027: terug naar Europa

We weten het nog niet precies, maar één ding staat vast: de boot gaat volgend jaar terug naar Europa. De boot verkopen in het Caraïbisch gebied is nog wel een optie, maar dat voelt voor ons te vroeg – en eerlijk gezegd ook niet als de makkelijkste route. Dus: terug. En daarmee dienen zich twee vragen aan: hoe, en waarheen?


De hoe-vraag is vrij concreet. Zelf varen (eventueel in ARC-verband), of de boot laten overbrengen – met een schipper of op een transportschip. De waarheen-vraag is minstens zo interessant: wordt het Noord-Europa/Nederland, of toch Sardinië? Zelf terugvaren is een serieuze optie. Het oceaanzeilen is ons goed bevallen. Tegelijkertijd willen we niet opnieuw zeven maanden weg zijn. In Nederland wacht ook het nodige en het belangrijkste: familie, kinderen en vrienden. Sommige dingen wil je gewoon niet op afstand doen.

Daarmee komt al snel een tussenoplossing in beeld: de terugtocht in etappes. Bijvoorbeeld via Sint Maarten (mei 2027), Bermuda en de Azoren (juni 2027), om uiteindelijk in Portugal of Falmouth uit te komen. Vertrek in mei/juni, wanneer de omstandigheden zich daar goed voor lenen. Eventueel zou de boot nog een seizoen op de Azoren kunnen blijven liggen, zodat de laatste etappe pas in 2028 volgt. De grote vraag is dan: kunnen we in die periode zes weken vrijmaken? Dat wordt vooral een kwestie van plannen.

Het alternatief – transport of een betaalde crew – is snel doorgerekend en daarmee eigenlijk ook weer afgevallen. Met bedragen van circa €10.000 tot €27.000 is het een kostbare oplossing, zeker omdat we het varen zelf juist zo waarderen. Toch is dat laatste niet voor iedereen vanzelfsprekend. We hebben onderweg meerdere boten ontmoet – Nederlands, Brits en Frans – die uiteindelijk besloten hun schip te laten overvaren of transporteren. Niet uit luxe, maar omdat de praktijk tegenviel. Daar zitten een paar duidelijke lessen in.

Allereerst: een tweepersoonsbemanning is kwetsbaar. Zeker als zeeziekte een rol speelt. Zoals iemand het treffend zei: met z’n tweeën vaar je tijdens wacht eigenlijk solo. Dat moet maar net goed gaan – en dat geldt des te meer met jonge kinderen aan boord. Dan zeeziekte zelf. We hebben meerdere crews gesproken waar dit een structureel probleem was. Ook bij grotere bemanningen. Twintig dagen op zee wordt dan niet alleen zwaar, maar ook ronduit onaangenaam – en in sommige gevallen zelfs onveilig.

En dan zijn er nog de pubers. Hoe leuk het idee ook is van een gezinsavontuur, in de praktijk blijkt het vaak vooral het avontuur van de ouders. Aanspraak en afwisseling zijn beperkt, en verveling ligt op de loer. Eerlijk gezegd herkennen we daar zelf ook iets van. Onze conclusie is daarom vrij helder. Voor langere oversteken – zeg alles boven de 36 tot 48 uur – varen we liever niet met z’n tweeën. Met een goede bemanning wordt het niet alleen veiliger, maar ook leuker. Korte trajecten van een paar weken tot maximaal zes weken voelen daarbij het meest passend.

Wat betreft bemanning kiezen we bij voorkeur voor mensen die we kennen: volwassen kinderen en vrienden met wie we al gevaren hebben. Bemanning via een pool of bemiddelingssite kan prima werken – dat horen we ook – maar blijft toch een sprong in het diepe. Soms weet je pas op de loopplank wie je echt aan boord haalt. Wordt dus vervolgd. Het plan voor 2027 ligt nog niet vast, maar de contouren worden langzaam zichtbaar.

Zuidwaarts naar het einde van het seizoen

Zuidwaarts naar het einde van het seizoen

Nadat Sanne in de tweede week van februari 2026 weer naar huis is gegaan – we vonden het erg leuk om even met z’n drieën aan boord te zijn – zijn we geleidelijk zuidwaarts gevaren, via Dominica en Martinique. In Le Marin lagen we kort in de marina, aan de Amel-steiger. Daar is de stuurinrichting door Amel Caraïbe volledig nagekeken en in orde bevonden. Eigenlijk weer als nieuw – best bijzonder voor een boot van 40 jaar oud.

Daarna opnieuw naar St Lucia (Rodney Bay), en vervolgens door naar St Vincent & de Grenadines, waar we nu nog steeds rondvaren. Op het hoofdeiland kwamen we terecht op de filmset van Pirates of the Caribbean – inmiddels een wat treurige plek van verval en vergane glorie.


Na een stevige tocht met veel wind en een forse zeegang zijn we doorgevaren naar Bequia, wat ons betreft een echt zeilersparadijs. We lagen er een paar dagen aan een mooring en bezochten natuurlijk ook de drijvende bar – dat hoort erbij.

De volgende stop was Canouan: deels privé-eigendom, met een extreem luxe resort (Soho House), een dure marina en een airstrip waar de privéjets af en aan vliegen. Een wereld van verschil met de eilanden eromheen.


Daarna kwamen we in de Tobago Cays. Azuurblauw water, koraalriffen en onbewoonde eilandjes – zonder twijfel de mooiste plek waar we tot nu toe hebben gelegen. Dat trekt uiteraard ook bedrijvigheid: strandtenten op de eilandjes waar je eet met je voeten in het zand of zelfs in het water. Wij hielden het eenvoudig en lieten de kreeft aan boord bezorgen.


Nu liggen we voor anker bij Mayreau, in een mooie baai. Dit eiland heeft, net als de omliggende eilanden, flink te lijden gehad van orkaan Beryl. Toch is er veel hersteld en moet je goed kijken om de schade nog te zien. Opvallend is vooral dat er weinig palmbomen meer staan. Inmiddels is ook het droge seizoen begonnen: het landschap is bruiner en kaler dan eerder op onze reis.

Het seizoen loopt hier langzaam ten einde. De locals klagen dat het ‘slow’ is, en het aantal cruiseschepen zou met een derde zijn afgenomen. Mogelijk spelen de ontwikkelingen in de VS en de onrust in de regio (we zitten niet ver van Venezuela) daarin een rol.

Wij gaan de laatste twee weken in. Vanaf 12 april liggen we in een marina op Grenada, en op 20 april gaat de boot de kant op. We zijn blij met Grenada als plek om haar achter te laten. Trinidad is qua orkanenstatistiek veiliger, maar daar speelt criminaliteit een grotere rol en het ligt dichter bij Venezuela. Grenada ligt aan de zuidrand van de hurricane belt. De boot gaat op de kant en wordt goed verankerd – en dan hopen we op een rustig seizoen. Onze verzekering dekt schade door een ‘named hurricane’ namelijk niet, en een boot van 40 jaar verzekeren blijft sowieso een uitdaging, zelfs als het een Amel is.

De afstanden die we nu nog afleggen zijn klein. Ter vergelijking: Grenada is ongeveer zo groot als Texel. Met een vaste terugvlucht in zicht merk je ook dat de focus verschuift naar het einde van de reis. 45 mijl in twee weken is eigenlijk te weinig – deze planning hebben we niet helemaal goed ingeschat. We zijn gewend geraakt aan een ritme van twee à drie dagen op één plek en dan weer verder. Nu moeten we ons juist dwingen om stil te liggen, terwijl we het leven aan de wal inmiddels wel kennen – en ook de lijst met bootklusjes eindig is.

Volgend jaar doen we het anders: meer zeilen, kortere stops, en de boot via St Maarten, Bermuda en de Azoren terug naar huis. Daarover later meer. Voor nu hebben we nog Union Island (uitklaren), Carriacou (inklaren) en Grenada te gaan, plus een week om de boot zomer klaar te maken. Dat gaat vast lukken. En ondertussen: de Tobago Cays. Een plek waar je de hele dag kunt kijken en zwemmen. Misschien wel de mooiste ankerplek die we ooit hebben gehad – achter een rif, met uitzicht op eilandjes om ons heen en de oceaan voor ons.

Oversteken van Las Palmas naar Saint Lucia: wedstrijd

Op 23 november 2025 was het dan eindelijk zover: we vertrokken voor de oversteek van de Atlantische Oceaan, van Las Palmas op Gran Canaria naar het Caraïbische eiland Saint Lucia. We deden mee aan de ARC – de Atlantic Rally for Cruisers – die met zijn 40ste editie nog feestelijker was dan anders.


Waar we in alle hectiek van de voorbereidingen nauwelijks bij hadden stilgestaan, was dat we eigenlijk deelnamen aan een wedstrijd. Met bijna 150 boten, verdeeld over vijf categorieën. Tot aan het startschot — met een echte startlijn, aftellen en een harde toeter — stonden we dan ook totaal niet in racestand. Maar dat veranderde onmiddellijk, mede dankzij de competitieve instelling van drie van de vier opvarenden.

Zeilvoering optimaliseren, zeilen wisselen, steeds weer op zoek naar nét die gunstigere wind: de eerste drie à vier dagen stonden volledig in het teken daarvan. Na enkele dagen pakten we de passaatwinden op en schakelden we over naar een maximale voor-de-winds tuigage: een dubbele genua in één rail aan de voorstag, uitgeboomd met twee enorme bomen. Het grote voordeel van deze opstelling was dat we relatief eenvoudig konden reven; beide zeilen konden immers met de furler worden ingerold. Dit systeem heeft bijna twee weken onafgebroken gestaan. Het nadeel: zodra je de koers wilt wijzigen naar ruim of aan de wind, moeten zowel de bomen als de tweede genua naar binnen.


Via de tracker en de app van YB Racing hielden we ondertussen onze positie in het klassement nauwlettend in de gaten. Plek twee en drie wisselden elkaar op nagelbijtende wijze af. Plek één bleef steevast in handen van Free Spirit, een Beneteau First 40.7. Later bleek dat zij onze coördinaten op een whiteboard in hun boot bijhielden. Twee dagen voor onze finish op 10 december werden we van de derde plek verdrongen door Ninja Penguin, maar die bleek dat deels op de motor te hebben gedaan.


Het resultaat: met onze oude boot uit 1984, en een tweede genua van 200 euro via Marktplaats, eindigden we tóch als derde in onze categorie. Dat geeft een verrassend tevreden gevoel. Uiteraard geheel zonder competitie.


Canarische schoonheid onder druk

Na dagen op zee varen doemt de eerste vulkaan op aan de horizon. De Canarische eilanden zijn voor elke zeiler een welkom gezicht na een paar etmalen oceaan. Maar na een paar weken varen en voor anker zien we de onmisbare tekenen dat deze eilanden zuchten onder hun eigen aantrekkingskracht.

Een dunne huid
De eilanden zijn jong, vulkanisch en broos. Hun bodem is los, hun reliëf steil. Regen valt zelden, maar als het valt, komt het als een stortvloed. Zonder bescherming van bomen en wortels spoelt de aarde zo de oceaan in. Eeuwenlang hield de natuur dat zelf in balans, met dichte bossen van dennen en laurier die het water vasthielden als een spons.
Na de Spaanse verovering, in de 15e eeuw, begon de ontbossing. Hout was nodig voor schepen, huizen en ovens. De vruchtbare grond die vrijkwam, werd beplant met suikerriet, wijn en later bananen. De bossen verdwenen, de bodem droogde uit. De terrassen die boeren aanlegden hielden het nog even tegen — smalle muren van steen die de regen vertraagden en de grond vasthielden. Maar toen de landbouw verdween, stortten ook de terrassen in, en spoelde de aarde alsnog weg.


Dorst naar water
In de twintigste eeuw kwam een nieuw hoofdstuk: het water zelf. De eilanden gingen ondergronds graven, honderden galerías diep in de bergen, om de verborgen waterlagen aan te boren. Het werkte — even. Toen zakte het grondwaterpeil, bronnen droogden op en de valleien verloren hun unieke biodiversiteit. Wat overbleef, was stof.
En toen kwam het toerisme. Zwembaden, golfbanen, hotels met tropische tuinen in een subtropisch klimaat. De eilanden werden groener voor het oog, maar armer van binnen. Ontziltingsinstallaties draaien dag en nacht om het water te leveren dat de natuur allang niet meer heeft.
Nu, met het veranderende klimaat, lijkt de cyclus zich te versnellen. Lange droge periodes worden afgewisseld met korte, felle buien die alles losspoelen wat nog niet vastzit. Op Lanzarote en Fuerteventura is de woestijn al dichtbij. Op Tenerife en La Gomera trekken de bossen zich langzaam terug de hoogte in.

Natuur op haar tandvlees
De natuur hier is kwetsbaar en tegelijk onwaarschijnlijk mooi. Lava, zand, zout, wind en een unieke vegetatie vormen samen een landschap dat indrukwekkend is in zijn rauwheid. Maar datzelfde landschap raakt uit balans. In het Teide Nationaal Park op Tenerife schuifelen dagelijks duizenden bezoekers over paden. Aan de kust worden duinen platgelopen, struiken vertrapt, vogels verjaagd. Ook vanaf zee zie je het verschil: plekken die ooit leeg en ruig waren, zijn nu volgebouwd met resorts. En daar kost een week all-in in de populaire wintermaanden — mét vliegen — rond de zeshonderd euro. Een aanbod dat in de eerste vijf maanden van 2024 bijna 6,5 miljoen bezoekers trok.

Dorstige eilanden
Aan wal zie je overal hetzelfde beeld. Hotels, zwembaden, golfbanen — allemaal dorstig naar water dat er eigenlijk niet is. Ontziltingsinstallaties draaien op volle toeren om de kranen aan de praat te houden, met een flinke ecologische rekening. De stroom daarvoor komt van enorme industriële zonne- en windparken.
En het afval? Dat stapelt zich op in hetzelfde tempo als de toeristen. Het is bewonderenswaardig hoe hard de lokale overheden hun best doen om de zichtbare problemen op te lossen. Het minder zichtbare probleem — het afvalwater — wordt echter op bijna vierhonderd plaatsen ongezuiverd de zee ingepompt. Je vaart dus regelmatig in een open riool. Rob is vrijwel zeker ziek geworden van een zwempartij.
De lokale bevolking, 2,3 miljoen mensen per januari 2024, zijn de echte slachtoffers. Zij kunnen in de hele kuststrook geen huis meer betalen en zijn voor werk vooral aangewezen op bediening en schoonmaak. Inmiddels klinken de protesten tegen het ongebreideld aanhalen van massatoerisme steeds sterker.

Natuur verdwijnt
De toeristische ontwikkeling op de Canarische eilanden is al decennia gaande. Als je tussen en langs de eenvormige resorts kijkt, zie je af en toe nog een klein historisch restje. De kustlijn en de stranden raken vol, en de baaien waar we voor anker lagen, zijn vaak drukbevaren door jetski’s en catamarans vol dagjesmensen. De dagjesboten, die eerst Dolphin Watch heetten, zijn veranderd in Dolphin Search. Wij hebben gedurende weken geen enkel teken van leven gezien — niet verwonderlijk tussen de riooluitlaten en de enorme industriële fishfarms in zee. Het paradijs is zijn eigen decor aan het bouwen, en verdwijnt daarbij stukje bij beetje.

En toch…
Toch blijft het moeilijk om niet verliefd te worden op deze eilanden. Wie vroeg uitvaart, nog voor de dagtochtboten losgooien, vindt altijd plekken waar alleen het ruisen van de oceaan klinkt. Waar de lucht naar zout en lavasteen ruikt en de wereld even eenvoudig is. Misschien is dat de les die de Canarische eilanden ons geven: hoe ziet onze wereld eruit als onbeperkt consumeren zonder oog voor natuur en milieu de norm blijft? En is dat wat we willen?

Nationale bootmensen – stereotypes op zee

Eén van de geneugten van het leven aan boord is de interactie met andere bootmensen. We liggen voor anker – technisch gesproken achter anker – tussen andere boten in. Naast ons arriveert een kleinere Franse boot uit Duinkerke. Drie mensen aan boord, zo te zien. De volgende ochtend, tijdens mijn ochtendzwem, word ik ingehaald door de dame van de buurboot. Ongeveer mijn leeftijd. Ieder geverfd haartje van haar perfecte bob zit op zijn plek, modieuze zonneklep, korte turbo-zwemflippers. ‘Good moaning! Ze wunderful ier!’ roept ze opgewekt. Even later wisselen we de informatie uit die bij bootmensen altijd top of mind is: waar ga je naartoe? ‘Oh, wier going to Polynesia!’ Met z’n drieën, op een boot die twee meter korter is dan de onze.


Fransen zijn formidabele zeilers en reizigers. Als er een boot met vol tuig op je af komt razen in 25 knopen wind, waar “allez, allez, allez!” vanaf schalt, kun je alleen maar uitwijken. We hebben in Franse havens vaker boten onder vol zeil binnen zien komen: bij toverslag alle zeilen omlaag en dan, als een zwaan, de box in glijden. Fransen staan genetisch in de joie de vivre-stand, terwijl ze eigenlijk Italianen zijn met een slecht humeur. Ze hebben zóveel vertrouwen in hun eigen cultuur dat iedere plek vanzelf een beetje Frankrijk wordt. Bloot douchen aan dek? Geen probleem, zelfs niet in het volle zicht van de kade van Korinthe. Lunchen aan boord? Drie gangen, wijn erbij, espresso toe. Wij kijken daar met lichte jaloezie naar, terwijl wij onze boterham met kaas nog maar eens in kleinere stukjes snijden.

Nationale bootstereotypen gelden natuurlijk ook voor anderen. Duitsers, Zwitsers en Oostenrijkers? Hun boot kan simpelweg niet schoner. Engelsen? Niet helemaal aangesloten op de realiteit sinds Brexit (en de koloniën). Italianen? Eindeloos douchen, verkleden en flaneren.

En de Nederlanders?
Twee oudere zeilers van een prachtige Nicholson 43 met de poëtische naam Flame of Gosport vatten het ooit treffend samen. We lagen in onze favoriete baai bij Kekova Road, in Turkije. Flame of Gosport arriveerde onder zeil — hup, zeilen naar beneden tegelijk met het anker, altijd weer indrukwekkend. Tijdens een drankje aan boord zei de kapitein:

“It doesn’t matter where you are.
There’s always a bloody Dutchman that’s arrived first.”

Oversteken naar de Canarische Eilanden

Na maanden van voorbereiding was het eindelijk zover: eind september lieten we Nederland achter ons voor acht maanden zeilen, zon, zout en waarschijnlijk een hoop onverwachte klussen. In Motril, Spanje, pikten we onze Westwind weer op — klaar (nou ja, bijna klaar) voor het volgende hoofdstuk: de oversteek naar de Canarische Eilanden. Natuurlijk moest er nog wat werk worden gedaan — een nieuwe generator en een nieuw grootzeil, bijvoorbeeld.
Zo hadden de Spaanse monteurs het afregelen van de generator van het prachtige Friese merk WhisperPower – heel verstandig – uitgesteld tot wij zelf aan boord waren. De generator kwam pas tot leven na interventie van een oude Spaanse sjamaan-mecanicien: stekker eruit, peinzend bekijken, stekker erin – en een stevige portie mentale ondersteuning vanuit Drachstercompagnie.

Na een bevoorrading in een verbijsterend goedkope Spaanse supermarkt en de vertrouwde twee dagen verwaaid liggen door een keiharde westenwind, vertrokken we richting Portugal, waar zoon Bastiaan aan boord zou stappen. We voeren van het vertrouwde vaargebied van de Middellandse Zee via de Straat van Gibraltar naar de Noord-Atlantische Oceaan. Blijkbaar zijn we de afgelopen jaren iets té relaxed gaan varen – weinig golven, weinig wind – want dat werd bij Gibraltar meteen rechtgezet. Terwijl we op de steeds hogere deining begonnen te stuiteren, besloot een onderdeel van de boot, de jockeypole, zichzelf te bevrijden.
Rob en ik zagen met afgrijzen – in slow motion natuurlijk – de aluminium paal van 1,60 meter loskomen, even twijfelen (“dek of zee?”), en vervolgens resoluut kiezen voor de ruim 270 meter diepe trog bij Gibraltar.
Vervanging van dit unieke Amel-systeem is, laten we zeggen, een project. Gelukkig helpt een ander prachtig Nederlands vakbedrijf, Neutmast in Enkhuizen en Middelharnis, ons aan een oplossing. Hopelijk is die er voor 15 november, zodat Bastiaan het nieuwe exemplaar in zijn skitas kan meenemen naar Las Palmas.
Onze vertrekhaven vanuit Portugal was Vila Real de Santo António, een charmant stadje met een 18e-eeuws havenfront en een gezellig hoofdplein. Voor ons drieën was dit de eerste échte meerdaagse overtocht — een prima generale repetitie voor de Atlantische oversteek naar de Caraïben op 23 november. We deden er drie dagen en twintig uur over om ruim 600 nautische mijlen naar Lanzarote te varen. Buitengewoon voorspoedig dus.


Wat we geleerd hebben?
Om te beginnen: borg alles wat je kunt borgen met touwtjes. Vooral je jockeypoles.
Verder hebben we ervaren hoe het is om in een voortdurend bewegende boot alles te doen — koken, slapen, douchen. Alles duurt langer en vraagt om uitvoeringsstrategieën.
Koken: bereid zoveel mogelijk voor en kook op momenten dat de boot even wat rustiger ligt — ook al is dat ’s ochtends vroeg. Dit inzicht kwam tot me toen ik een kom met nog te kloppen eieren na horizontale lancering nét op tijd kon opvangen.
Slapen: doe het wanneer het kan. Door de wachten slaap je niet meer 7 à 8 uur aaneengesloten. En als de boot rolt, rol jij vrolijk mee. Dat betekent veel wakker worden en jezelf telkens weer ergens tussen kussens en schotten proberen vast te klemmen.
Douchen: koud water, kleine cabine. Genoeg gezegd.
Maar al die aanpassingen zijn het dubbel en dwars waard. Want wat je ervoor terugkrijgt, is de ongenaakbare schoonheid van de Atlantische Oceaan: het licht, de ruimte, en een dageraad met twintig dolfijnen die om de boot spelen.


De Westwind ligt inmiddels veilig voor anker bij Lanzarote, de bemanning is weer uitgeslapen en de eieren blijven tegenwoordig netjes in hun kom. De volgende stap: voorbereidingen voor de grote sprong — de oversteek naar de Caraïben.

Eindejaars evaluatie: werken of zeilen?

En, poef, dan ben je zo weer een heel jaar verder. We hebben in 2024 weer een hybride jaar gehad met werken én zeilen. Wat het zeilen betreft – we hebben in juni 3 weken vanuit Preveza getoerd op de Ionische zee en 5 weken in september/1e week oktober om de boot van Preveza via de zuidkust van Sicilië terug te brengen naar Carloforte bij Sardinië. Het grootste deel van het jaar is opgegaan aan het bekende terrein van werk – voor Rob – en aan trainen – Saskia. Want ook de beperktere tijd op de boot heeft ons geleerd dat áls we onze droom om de Atlantische oceaan over te steken naar de Caraïbische eilanden werkelijkheid willen laten worden, we de concrete voorwaarden moeten creëren.

En wat zijn die voorwaarden om de Atlantische Oceaan over te steken dan? Nou het begint met een tochtplanning. Een belangrijke vraag bij een Atlantische oversteek is ’to ARC or not to ARC’. In de jaarlijkse Atlantic Rally for Cruisers (ARC) doe je de oversteek met een groep boten en is er van alles georganiseerd, zoals vertrek- en aankomstfeesten en gereserveerde plaatsen in havens. Het is een geruststellende gedachte dat hulp, als dat nodig is, niet al te ver weg is. Om mee te doen aan de ARC zijn er wel eisen op het gebied van veiligheid. We voldoen al aan veel, maar de puntjes mogen wel op de i, vooral ook met het oog op de aanwezigheid van bemanning.

Want dat is wel een conclusie die we hebben getrokken in het laatste jaar. We kunnen en willen de oversteek niet met zijn tweeën doen. Drie weken aan één stuk door zeilen op de oceaan is met wachtlopen en taakverdeling voor ons te zwaar en daarmee niet verantwoord. Omdat het vertrek van de ARC van Las Palmas bekend is – uiterlijk 17 december 2025 op Las Palmas – is daarmee ook direct een flink stuk van de tochtplanning bepaald. Dat betekent dat de boot in juni 2025 eerst van Sardinië via de Balearen naar het zuiden van Spanje gaat. We slaan de heetste en drukste zomermaanden weer over en starten in oktober met de tochten van het zuiden van Spanje naar de zuidpunt van Portugal en dan de oversteek van Portugal naar de Canarische eilanden met Las Palmas.

Ook nu weer is het spannend hoe en of onze werkelijkheden zich plooien naar deze plannen. De oude moeders en hun gezondheid, familie en vrienden, werken en maatschappelijke bijdrages. Want natuurlijk gaat het leven ondanks of dankzij de plannen gewoon door. We zullen de komende maanden in aanloop naar de grote sprong weer wat vaker een update geven.

Laatste stuk route 2023 – van Lariam naar Preveza

Sinds onze laatste berichten is er alweer wat tijd vergleden. Dus nu maar even een inhaalslag door Rob, vanachter zijn bureau thuis in Weesp.

De periode vanaf half augustus 2023 is wat rommelig geweest, ook omdat we van 30 augustus tot 17 september nog thuis zijn geweest voor aandacht voor mijn stiefmoeder en het vieren van een kroonjaar voor Saskia’s moeder. Met mijn stiefmoeder gaat het gelukkig naar omstandigheden heel goed. Leve de Daratumumab…!

Ons oorspronkelijke vaarplan om via de Peloponnesos terug naar Sardinië te varen, hebben we eerder losgelaten. In plaats daarvan zijn we naar Preveza gevaren, waar de boot nu op de kant staat voor de winter. We hebben dat niet zuid om gedaan, maar heen en terug via het kanaal van Korinthe. Dat is altijd wel een mooie belevenis. Wel duur: voor een passage van 5 mijl (9 km) 350 euro per keer, waarmee het kanaal van Korinthe per meter het duurste kanaal van de wereld is.


De maand augustus hebben we doorgebracht in de Cycladen, vooral ook om Delos te bezoeken, eigenlijk het meest oostelijke doel van onze tocht. Het eiland Delos is heel bijzonder, eigenlijk een combinatie van de Verenigde Naties en de Wereldhandelsorganisatie in die tijd. Een plek waar geen geboortes en geen sterfgevallen mochten voorkomen. Geen leefplaats, maar een diplomatiek centrum. Uiteraard ergens rond 200 voor Christus vernietigd door de Romeinen.


Verder een paar mooie plekken bezocht (Loutra, Ermoupolis, Poros, Sounion). Maar ook veel last gehad van de Meltemi, waardoor we zeker drie keer een paar dagen verwaaid hebben gelegen. Het voordeel is dat het niet zo warm is door de noordenwind, maar tegelijkertijd heeft zo’n periode ook een deprimerend effect (vooral op Rob).

Vanaf half september zijn we heel ontspannen van Kaap Sounion naar Preveza gevaren. Toen we de boot weer oppikten in de Olympic Marina bij Lariam bleek de romp onder de oliesporen te zitten, als gevolg van een illegale lozing van een tanker. Dat spul is er niet af te krijgen, en heeft de verf aangetast, dus dat is nu een klus voor de komende winter.


De laatste periode hebben we heel weinig wind gehad, wel met een paar dagen stevig onweer in Mesolonghi. Wel nog een keer Delphi bezocht vanuit Galaxidi, een hartverwarmende plek en ooit het tweede scheepvaartcentrum van Griekenland. Helaas heeft Galaxidi de omslag van zeil- naar stoom niet doorstaan, en is het als nautisch centrum teloor gegaan. Dat is anders dan Ermoupolis, dat het eerste scheepvaartcentrum was (en is gebleven). Bijzonder aan Galaxidi is dat het zich toont en gedraagt als een eiland, terwijl het dat niet is. En dat heeft alles te maken met het ontbreken van verbindingen over land. Pas in de jaren ’70 werd de kustweg aangelegd. Tot die tijd kwam alles over water.


Naast het gebrek aan wind, hebben we ook nog een paar dagen stevig onweer gehad, terwijl we in Mesolonghi lagen. Een stadje in een lagune, aan de rand van een groot natuurgebied met talloze moerassen. En natuurlijk zout productie. In de marina van Mesolonghi wordt regelmatig overwinterd. Dat spreekt ons toch niet aan, wegens door ons vermoedde eentonigheid en gebrek aan activiteit. Maar goed, de pilot gaf aan ‘Mesolonghi grows on you’ dus dat werd ook ons motto..in de drie dagen dat we daar waren. En dat leek ons ook wel genoeg (zoals we dat wel vaker hadden). Na Mesolonghi via Ithaka (en een bezoek aan het paleis van Odysseus) zijn we in Preveza gearriveerd en staat de boot op de kant sinds vrijdag 6 oktober 2023. Volgend jaar weer verder, nu even laten bezinken.
>Rob

De J-factor – overdaad schaadt wel

Ongeveer 25 jaar geleden, in de jaren negentig van de vorige eeuw kwamen de zogenaamde J-klasse jachten weer in zwang. Velsheda waarover ik eerder schreef was er zo een, maar ook Endeavour was er zo een. Majestueuze schepen die allemaal uit de mottenballen werden gehaald, en ik dacht dat er zelfs 1 of 2 nieuw gebouwd zijn naar de oorspronkelijke plannen. Die schepen en de plannen stamden uit de jaren dertig. Dat was de eerste periode van de hoogtijdagen van de J-klasse. De economische crisis van de jaren dertig, de tweede wereldoorlog en de periode van wederopbouw maakten deze schepen overbodig, en in ieder geval financieel niet meer haalbaar. Er waren geen mensen meer die ze konden betalen. Daarin zie je een manifestatie terug van de hele naoorlogse periode die zo mooi is beschreven door Tony Judt in zijn magnum epos Postwar. De samenleving was egalitairder dan ooit en daarin pasten J-klasse schepen niet.


Dat dit verandert in de jaren negentig hoeft niet te verbazen. De hele superjachtindustrie die is ontstaan is een soort van illustratie van het economisch model uit die jaren (en dat nog steeds dominant is). De vrije markteconomie vergroot in haar huidige vorm inkomens- en vermogensongelijkheid. En waar dat toe leidt zie je op het water. En niet alleen meer in de vorm van de J-klasse schepen, die blijven toch een bijzonderheid, maar vooral in de vorm van superjachten van 30 tot 100 meter. Met als extreem het jacht van Jeff Bezos, een van de grote exponenten van de vrije markteconomie in een nieuwe niet gereguleerde sector, namelijk alle met internet en AI.  Liet je ooit een buiten of een kasteel bouwen, nu is dat een superjacht.

Wij maken dus regelmatig mee dat we voor anker liggend omringd worden door dergelijke schepen, soms met een geschatte waarde van meer dan een 1 of 2 miljard euro direct om ons heen. Over dat soort schepen en het charteren ervan worden ook gezellige tv en netflix programma’s gemaakt. Dergelijke schepen zijn soms alleen voor prive gebruik, maar meestal wordt er intensief meer gecharterd, en dat kost dan tussen de 60.000 en 250.000 euro per week voor 8 personen. In het laagseizoen 10% minder.

De economische theorie van de Chicago school – inmiddels weerlegd – suggereert dat via een trickle down er allemaal banen bijkomen in deze industrietak. Dat is ook zo, en dat geldt zowel voor de bouwers (veel ervan in Nederland), als ook voor diegenen die de schepen bemensen. Overigens: dit kan ook in een wat bescheidener vorm door een zeiljacht te huren al dan niet in flottielje verband. Ook daar zijn veel mensen aan het werk. En dat geldt natuurlijk ook voor ons schip, dat ook een enorme luxe is.

De extreme varianten vallen op door hun buitensporige voetafdruk. In termen van bouwmateriaal, bouwkosten en energie verbruik is die voetafdruk enorm. Hele drijvende flatgebouwen worden verplaatst voor het plezier van een achttal verveelde twintigers en dertigers…die gedurende de dag vooral binnen zitten in een uiteraard riante airconditioned lounge met breedbeeld cinema. De opbrengsten van de trickle down vallen in het niet bij de schade die het oplevert en die niet wordt doorberekend aan de gebruiker.

De combinatie van enorme inkomens en vermogensongelijkheid met een veel groter verbruik van de beperkte hulpbronnen is een enorme spanning die beter uitgebalanceerd moet worden.
<Rob

Lezen: Een Odyssee van Daniël Mendelsohn

Het kan enorm pedant lijken om voor onze reis een thema als de Odyssee te nemen. Kijk ons eens intellectueel doen. Dat levert je in het huidige politieke klimaat verbanning en doodsbedreigingen op. Ondanks dat zijn Rob en ik liefhebbers van geschiedenis en de Mediterrane cultuur en blijven dat. Dus…Muze, vertel van de man van vele listen die wijd en zijd moest zwerven nadat hij het heilige Troje verwoest had;…


Eén van de grote genoegens bij lezen, vind ik, is estafette-lezen. Je hebt een boek, de Engelse vertaling van de Odyssee van Emily Wilson en daarna ga je door met analyse en interpretatie, bijvoorbeeld met het boek Een Odyssee van Daniël Mendelsohn uit 2019. Een prachtig boek, dat de taalkundige en historische analyse van de Odyssee van Homerus combineert met het uiterst persoonlijke zoeken naar de eigen identiteit als zoon en als vader. De auteur Daniël Mendelsohn dringt als classicus en vertaler diep door in de betekenislagen van de Odyssee. Hij spiegelt dit, ook in de prachtige vorm van de ringvertelling – begin en einde zijn hetzelfde – met zijn persoonlijke zoektocht naar de relatie met zijn vader. Dit vindt uiteindelijk zijn neerslag in een Odyssee-cruise met zijn vader langs alle belangrijke plekken uit het gedicht. Tijdens die cruise leert hij zijn vader te zien via anderen dan hijzelf, misschien wel de laatste en meest beslissende stap in volwassen worden.

Bij echt estafette-lezen helpt het boek jou bij volgende inzichten. Daniël Mendelsohn bespreek in zijn boek twee gedichten: Ulysses van Lord Tennyson uit 1833 en Ithaca van de Griekse dichter Kaváfis uit 1911, vertaling door Cornelis Buddingh. Beide gedichten voegen een nieuw perspectief toe op de Odyssee. Het gedicht van Tennyson gaat over de jaren van Odysseus na de Odyssee. Odysseus vindt het maar saai op Ithaca na de oorlog en al zijn reizen.

“How dull it is to pause, to make an end,
To rest unburnish’d, not to shine in use!
As tho to breathe were life! Life piled on life…”
Ulysses, Lord Alfred Tennyson

Voor Rob en mij een actueel onderwerp. Het reizen, het leren en de tijd zijn heerlijk. We liggen met de boot bij Corfu, zeker het eiland van de Lotuseters, omdat je hier je thuis vergeet en wilt blijven. Maar, waar ligt je betekenis, wat is je identiteit? Ligt die in van baai naar haven naar museum gaan? Of ligt die thuis, in je bijdrage aan de maatschappij in Nederland?

“Free hearts, free foreheads – you and I are old;
Old age hath yet its honour and his toil;
Death closes all: but something ere the end,
Some work of noble note, may yet be done.”
Ulysses, Lord Alfred Tennyson

Het gedicht Ithaca van Kaváfis verplaatst het perspectief van Odysseus naar de lezer, naar ons allen. Wij allen maken een reis naar ons eigen Ithaca, naar ons thuis en wie wij zijn. Het doel van de reis is niet ons eigen eiland, maar de weg er naar toe, dat wat we leren en ervaren.

“Houd je geestesoog steeds vast op Ithaca gericht,
daar te komen is je uiteindelijke doel.
Maar haast je vooral niet,
je reis kan beter jaren en jaren duren.
Werp er desnoods pas je anker uit wanneer je al oud bent,
rijk aan alles wat je onderweg hebt verworven,
maar zonder nog iets van Ithaca te verwachten.”
Ithaca, Konstantinos P. Kaváfis

De kunst is om de tegenstelling die we ervaren tussen het op de boot te kunnen leven en reizen en ons arbeidzame leven waarin we een bijdrage willen leveren aan maatschappelijke vraagstukken kleiner te maken. Beide ervaringen horen bij onze identiteit. Het hoe dan is een onderwerp van een volgend hoofdstuk.
<Saskia